Levelen met Jezus, Joh. 15: 9 – 17

Net zoals u waarschijnlijk, heb ik een lange lijst met contacten in mijn mobiele telefoon staan. Namen van mensen die ik soms amper ken, maar die ik ooit eens gebeld heb of zij mij.
Ja, ik heb contacten genoeg. Maar wie uit die lange lijst kan ik mijn vrienden noemen?

Jezus zegt: “Ik noem u geen slaven meer (…) vrienden noem ik jullie”.
Dat is een bijzonder woord. Zoals vriendschap een bijzonder woord is. Een woord om zuinig op te zijn.
Vandaag gaat het over dat woord ‘vriendschap’.  Zoals we het horen uit de mond van Jezus zelf: vrienden noem ik jullie.

Wie noemt u uw vriend of vriendin?
Vast niet iedereen in uw contactlijst, of?

Er zijn mensen die zijn in dat opzicht royaal. Die hebben overal vrienden. Of ze noemen je makkelijk vriend of vriendin. U kent dat soort joviale types wel.
Anderen zijn wat zuiniger met dat woord. Vriend of vriendin, dat ben je niet zomaar. Dat zijn mensen met veel kennissen, weinig echte vrienden.
En er zijn natuurlijk ook mensen die niet zo’n volle contactlijst hebben. Kleine familie, weinig vrienden, of ze zijn al overleden. Het kringetje wordt kleiner en bij sommigen was het altijd al heel klein, om wat voor reden ook, persoonlijkheid, dingen die er gebeurd zijn.

Ieders situatie is anders, maar ik zou willen voorstellen vriend / vriendin als een kostbaar iets te zien. Want zulke mensen zijn bijzonder in je leven.

U kent allemaal het bekende versje van Toon Hermans:
Als je iemand hebt, die met je lacht en met je grient,
dan pas kun je zeggen: ik heb een vriend.

En daar zit, in alle eenvoud, heel wat in.
Vrienden voor het leven, dat is door dik en dun, dat is in goede en in slechte dagen. Dat is iemand die er onvoorwaardelijk voor je is.
Want als u het liever wat filosofischer wilt: Cornelis Verhoeven noemde vriendschap: een zone zonder gevaar. Bij een vriend hoef ik niet op mijn hoede te zijn, verklaarde hij.
Bij vrienden kan ik mijzelf zijn, hoef ik niet achterdochtig te zijn, op mijn woorden te passen of op mijn hoede te zijn. Bij vrienden is het veilig.

Met dat in het achterhoofd, mediteren we over Jezus die het over ‘vrienden’ heeft.
Dat is opmerkelijk. Want vriendschap is eigenlijk nauwelijks een thema in de bijbel. Het wordt maar spaarzaam gebruikt. Het woord vriendschap komt 19 keer voor in de hele bijbel, terwijl het woord ‘vijand’ 222 keer voorkomt in de NBV21 en ‘vriend’ maar 89 keer! Daarnaast is het opmerkelijk dat een van de weinige passages die er wél over gaan, uitgerekend in dit evangelie van Johannes staat.

U weet dat elk evangelie eigen accenten zet als het gaat om het beeld van Jezus. In het evangelie van Johannes is Jezus vooral de Zoon van God, de verhevene, die ondanks alles wat hem overkomt, de situatie meester is. Jezus treedt in dit evangelie met veel zelfvertrouwen naar voren. Hij openbaart zich nadrukkelijk in zeven keer een plechtige Ik-ben – uitspraak: Ik ben de goede herder, het licht der wereld, Ik ben de weg, de waarheid en het leven, enzovoort. In het evangelie van Johannes is Jezus de soevereine Heer. En uitgerekend in dit evangelie vinden we deze bijzondere woorden: ik noem u geen slaven meer … vrienden noem ik u!

Jezus neemt ons aan als zijn gelijken. Hij laat ons meetellen. Wij zijn met hem op hetzelfde niveau. Dat klinkt allemaal mee. Wij levelen met Jezus, zijn we ons dat wel bewust?

Het is echt een stap verder in de bijzondere relatie tussen Jezus en zijn leerlingen, tussen Jezus en zijn kerk, wij zelf dus.
Hiervoor in het evangelie ging het nog over de wijnstok en de ranken. Misschien hebt u dat de vorige week ook gehoord. Ook zo’n Ik-ben woord van Jezus. Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ranken. In dat beeld kun je nog iets van afhankelijkheid horen. De ranken ontlenen hun vruchtbaarheid en groeikracht aan de wijnstok. Maar meteen daarop volgt het gedeelte van vandaag. Jezus laat nu alle eenzijdige afhankelijkheid varen. Hij laat de verhouding meester – slaaf voorgoed los. Beseffen we wel de revolutionaire werking daarvan?
Want “voor een vriend hoeft men zich niet te bukken. Een vriend kan men recht in de ogen kijken. Men hoeft niet naar hem op te kijken en men hoeft ook niet op hem neer te zien. In vriendschap ervaar je dat je wordt gewaardeerd zoals je bent en in vrijheid wordt geaccepteerd” (Jürgen Moltmann).

Nee, geen slaven meer, vrienden noem ik jullie.
We vinden deze woorden van Jezus in de lange afscheidsrede, die een aantal hoofdstukken in het evangelie beslaat. Jezus maakt zijn leerlingen klaar voor het gemeenschapsleven voor als hij er straks niet meer is. Je zou kunnen zeggen, hij legt de grondslag voor de kerk na Pasen. En de kerk, dat is in de lijn van de johanneïsche Jezus: een liefdesgemeenschap van vrienden:
Blijf in mijn liefde: je blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt …
Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben, zoals ik jullie heb liefgehad…
Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat ik zeg…

Allemaal geladen woorden. Ze betekenen tenminste, dat wij als kerk, als belichaming van Christus, een gemeenschap van vrienden zijn, waar het liefdesgebod van de Heer regeert.
Dat is nogal wat!

Nu hoef ik niemand van u te zeggen, hoezeer de werkelijke kerk ten achter blijft bij dit ideaal. Dat is altijd zo geweest, de lange kerkgeschiedenis getuigt daar van. Maar dat betekent niet, dat we het daarbij kunnen laten zitten. Als Jezus ons zijn vrienden noemt, dan kunnen wij daar toch niet bij achter blijven?

Hoe moeizaam de dagelijkse praktijk ook is, de inspiratie die er uitgaat van Jezus’ opdracht om elkaar lief te hebben, de bemoediging die er klinkt uit zijn toezegging: vrienden noem ik jullie, kunnen ons uitdagen om telkens weer over onze eigen beperkte schaduw heen te springen, om de vriendschap te zoeken, om de vriendschap te oefenen. Want vriendschap is een werkwoord.
Zoals in iedere vriendschappelijke relatie, je je best moet doen om de vriendschap in stand te houden, te onderhouden,

In het dagelijks leven is het zo dat we vriendschappen zelf kiezen – familie heb je nu eenmaal en de functionele relaties, in werk of in de buurt, die zijn ook gegeven. Vrienden kies je.
Maar in de kerk is het wat dat betreft net andersom.
Jezus zegt: “Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar ik jullie.” Het is belangrijk om dat goed voor ogen te houden, want anders dreigt al dat moois over vriendschap te sentimenteel en te particulier te worden. Toch al een gevaar in de kerk.

Wij zijn Jezus’ vrienden door Zijn keuze. Hij maakt ons wel gelijkwaardig aan Hem, maar daarmee zijn wij nog niet gelijk aan Hem. Hij neemt het initiatief. Hij wil mijn vriendschap nodig hebben. Hij heeft kennelijk zoveel vertrouwen in ons; ook al weten wij stiekem zelf dat dat niet onze verdienste is. De ‘vrienden’ laten hem straks lelijk in de steek. Maar voor Jezus is dat geen beletsel om toch zijn vertrouwen uit te spreken en het zijn leerlingen, en ons dus, na te laten.

Als we dat goed beseffen, leren we daardoor ook anders naar elkaar kijken, in de gemeenschap van de kerk en ook daarbuiten.
Dan breekt het besef door, dat zoals ik door hem ben aangenomen, tot vriend wordt gemaakt, dat evengoed voor die ander, naast mij, geldt. In de gemeente én daarbuiten. Want Jezus’ liefde kent geen scheidingslijn.

De ander naast mij, met mij, zo verschillend als hij of zij is, ook die ander wordt door Jezus zijn eeuwige vriendschap aangeboden. Dat beseffen, maakt dat ik anders leer kijken naar en omgaan met die ander. Daar ontstaat die bijzondere vriendschap in de gemeente. Niet omdat ik die ander per se aardig vind, of omdat hij of zij mij bijzonder ligt – het tegendeel kan het geval zijn. De kerk is geen vriendenclub, maar een gemeenschap van broeders en zusters, die door Jezus vrienden worden genoemd.
In de gemeente word ik in en door Christus’ keuze aan die ander verbonden, verplicht. Dat heeft niets met sentimentele gevoelens te maken die we voor elkaar zouden koesteren, nee, het is de zakelijke vriendschap, die als je die oefent, zich verdiepen kan. Omdat je de ander niet van te voren afwijst, in een door jouw geconstrueerd hokje stopt met het oordeel al klaar, met het etiketje: orthodox, confessioneel, vrijzinnig, of weet ik wat. Omdat je die ander ontvangt als een van Christus geschonken geschenk, kun je in de ontmoeting nieuwe aspecten ontdekken, onverwacht, die jouw leven en geloof kunnen verrijken.

Want nu moeten we, aan het eind, ook de omgekeerde beweging maken.
Eerst keken we naar binnen, naar ons zelf als het ware.
Maar nu moeten we, juist omdat we vrienden genoemd worden door Jezus, ook naar buiten kijken. Naar de wereld waarin we leven en waarin we ons geloof waar proberen te maken.
Wat we oefenen in de gemeente, moet je als het ware meenemen naar buiten, de wereld in.
De grote uitdaging is om zo met elkaar om te gaan, in de kerk en in alle verbanden van het dagelijkse leven. De ander als verrijking zien, niet als bedreiging.
Dat is moeilijk.
Dat staat haaks op onze neiging.
Het heeft niets te maken met of je wel of niet gemakkelijk anderen vrienden noemt. Het komt bij Jezus zelf vandaag, die je de vrijmoedigheid geeft om anderen zo te zien, zoals Hij jou ziet. Met liefde en welwillendheid. Met openheid en vertrouwen. Met een durf om kwetsbaar te zijn.

Daarom nog eenmaal het woord van de Heer:
Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar ik jullie, en ik heb jullie opgedragen om op weg te gaan en vrucht te dragen, blijvende vrucht (…) Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief.

AMEN