Paasverhaal

Maria zit in haar favoriete stoel. Dicht bij het raam van haar appartement op de tweede verdieping. Van daaruit heeft ze een mooi uitzicht op het park, waar de kinderen spelen.
De zon schijnt en overal zie je het groen aan de struiken en bomen komen. Daar kan Maria zo van genieten.
Haar gedachten gaan de laatste tijd vaak naar vroeger. Het is alsof naarmate je ouder wordt, je meer met vroeger bezig bent.
In deze tijd van het jaar is ze trouwens altijd weer terug in de tijd. Hoe lang is het nu geleden? Toch wel zo’n vijftig jaar, minstens.

Ze is vandaag wat gespannen. Vanmiddag krijgt ze bezoek. Van Johannes. Hoe lang heeft ze die al niet meer gezien? Hij was er toen ook bij, een halve eeuw geleden. Ze waren tamelijk dik met elkaar in die tijd, maar dat is lang gelden. De laatste jaren zijn ze elkaar uit het oog verloren.

Ze had zomaar een mail van Johannes gekregen. Of hij een keer langs mocht komen. Hij is met een boek bezig, schreef hij, en wil Maria graag spreken.
Nou, dat mag. Ze is benieuwd.

Maria heeft de koffiekopjes al klaar gezet, en een schaaltje met paaseieren.
Gek, zo oud als ze is, voelt ze toch een kriebel in haar buik. Hoe zou Johannes er uitzien, na al die jaren?

Later die middag vertelt hij over het boek dat hij aan het schrijven is.
‘Ik weet wel, Matteüs, Marcus en Lucas hebben ook al een boek geschreven, maar ik denk dat er ook nog andere verhalen te vertellen zijn’, legt hij uit. ‘We hebben toch veel meer met Jezus meegemaakt, is het niet Maria?’

O ja, zegt Maria. Ik ken die boeken van die anderen trouwens niet, maar inderdaad, we hebben heel wat meegemaakt. Ik denk er nog vaak aan terug, zeker in deze periode.’
Ze is even stil, mijmert voor haar uit.
‘Wacht’, zegt ze, ‘ik moet hier nog ergens een fotoboek hebben.’

Ze rommelt wat in een van de laden van haar wandmeubel en komt met een fotoboek aanzetten.
Hier en daar steken er een paar losse foto’s uit.
De lijm van de fotohoekjes is door de jaren heen uitgedroogd, waardoor ze los zijn geraakt. Een beetje onhandig raapt Maria het allemaal samen.

‘Kijk, hier, Johannes weet je nog? Dit was op de bruiloft in Kana.
En hier, daar was je toch ook bij? Toen bij het meer, toen er wel meer dan 5000 mensen waren en we niet meer dan vijf broden en twee vissen bij ons hadden. Dat vergeet ik nooit meer. Er bleven zelfs twaalf manden over.’

‘Ja, mooi dat je dat nog bewaard hebt’, zegt Johannes.
‘Maar waar ik vooral om kom is, die zondagochtend, nadat hij gekruisigd was. Jij was het toch, Maria, die hem toen heeft gezien, of vergis ik me? Jij was toen toch bij zijn graf?’

‘Ja zeker’, zegt Maria, terwijl haar ogen wat dromerig worden en ze staart naar het parkje voor haar appartement, waar de kinderen spelen en het groen aan de struiken komt.
‘Ja, dat was zo bijzonder. Het was vroeg in de ochtend. De tijd was ook nog net verzet. Wat ik toen heb meegemaakt, ben ik nooit vergeten.’

‘Heb je daar ook foto’s van, toevallig’, vraagt Johannes.
‘Een paar maar, niet veel soeps. Van die tuin, kijk hier, en van het graf.’
‘En van Jezus zelf?’
‘Nee, helaas, die zijn allemaal mislukt. Overbelicht.’

‘Maar dat vind ik helemaal niet erg’, gaat Maria verder. ‘Het belangrijkste van die ochtend, daar denk ik nog bijna dagelijks aan terug.
Hij riep mijn naam.
Hij noemde mijn naam, op een manier zoals alleen Hij dat kon. Toen wist ik het zeker, dat Hij het was, dat hij leefde.
Als ik mijn ogen dichtdoe en goed luister, hoor ik het nog, hoor ik het alsof hij mij vandaag roept.’

Maria staart weer voor haar uit. Haar blik staart naar een punt in de verte, ziet Johannes terwijl hij naast haar zit.
Het fotoboek glijdt langzaam van haar schoot af.
Ze is haast vergeten dat Johannes bij haar op bezoek is.
Ze is weer helemaal terug, bij dat moment dat haar leven heeft veranderd.
Ze lijkt weg te dromen….

‘En toen?’
De vraag van Johannes doet haar opschrikken uit haar dagdroom.

‘En toen?
Ja, hoe ging het verder?
Eerlijk gezegd heb ik hem daarna nooit weer gezien.
Mijn leven ging verder, ik moest door. Dat kon ik ook en ik heb het gered.
Maar die stem, die mijn naam roept, die is nooit meer weg geweest, die ben ik blijven horen, heel mijn leven.
Die heeft mij kracht gegeven, als ik het moeilijk had.
Ik durf gerust zeggen, die heeft mij er door heen gesleept. Al die jaren.’

Aan het eind van de middag neemt Johannes afscheid:
‘Ik moet maar weer eens op huis aan.
Dank je wel, Maria, voor je verhalen. En fijn dat ik je fotoboek mocht bekijken.’

‘Och, graag gedaan. Ik vond het ook leuk om het weer over die tijd te hebben. En natuurlijk fijn om jou weer te zien. Dat hadden we veel eerder moeten doen.
Nou, je komt nog maar eens aan.’

‘Dat doe ik zeker. En als mijn boek klaar is, kom ik jou ook een exemplaar brengen.’

‘Dat is aardig, maar dat hoeft niet per se, hoor. Ik ben niet zo’n lezer’, zegt Maria eerlijk.

‘Die stem in mijn hoofd, in mijn hart, daar heb ik genoeg aan.’