Organiseer je eigen tegenstem, Mc 1: 12 – 15

Er was eens een koning en die koning had een nar in dienst.
Op de lange winteravonden moest de nar de koning en zijn hofhouding vermaken.
Er was nog geen Netflix en het Rummikubspel was nog niet uitgevonden, lang geleden dus. De nar vertelt oude volksverhalen, hij zingt erbij en begeleidt zichzelf op de lier.
Ook heeft hij een verzameling moppen en grappige verhalen om de koning en zijn ministers te vermaken. En hij kan een beetje jongleren. Soms veroorlooft hij zich wat kritische opmerkingen over de koning, maar altijd met een kwinkslag.

De koning wordt ouder en zoals alle oude mannen, wat korzelig en knorrig.
Ook de nar wordt ouder maar hij wordt juist kritischer en scherper. Hij wordt zelfs wat brutaal. De koning is er op een gegeven moment zo flauw van om steeds maar weer het slachtoffer te zijn van de grappen en grollen van de nar, dat hij van de nar af wil. ‘Ik moet die paljas kwijt zien te raken’, denkt hij.

‘Wat zal ik doen?’, vraagt hij ’s avonds voor het slapengaan aan zijn vrouw, de koningin.
‘Zal ik hem uit de weg laten ruimen, of zal ik hem verbannen en wegsturen naar een ver land?’
‘Wat jij moet doen?’, zegt de koningin. ‘Jij moet helemaal niets doen, wat denk je wel’.
‘Iedere koning heeft een nar nodig’.

Toen werd het even stil.
‘Iedere koning heeft een nar nodig. …. En jij helemaal’, zegt ze er achteraan, maar toen was de koning al in slaap gevallen.

Kijk, dat is een wijze koningin.
Iedere koning heeft een nar nodig (en een wijze koningin, of andersom).
Iedereen die maar een beetje macht bezit, heeft het nodig dat hij of zij ook tegenspel krijgt. Dat je af en toe een spiegel voorgehouden wordt.
Daarom hebben wij vandaag de dag cabaretiers, cartoonisten en columnisten. Daarom moet er een onafhankelijke en kritische pers zijn en een oppositie.
Als dat niet het geval is, worden machthebbers alleen maar omringd met jaknikkers en pluimstrijkers. En dat is niet goed.
Als niemand iets durft te zeggen tegen de leiding, tegen het management of de directie, dan heerst er een angstcultuur. De voorbeelden zijn vandaag de dag overal aan te wijzen.
Tegenspel, kritische geluiden, iemand die je op een andere kant van de zaak wijst, of jou confronteert met jouw tekortkomingen, dat is nodig. Organiseer je eigen tegenstem. Dat is het advies van hedendaagse trainers aan managers en leidinggevenden.

Dat is ook bij uitstek de taak van de profeten in de Bijbel, zoals van Jeremia waar we vandaag over hoorden. Hij leeft in politiek roerige tijden; te ingewikkeld om hier nu lang bij stil te staan. Hij heeft een boodschap waarmee hij zich niet direct populair maakt bij de verschillende koningen die hij in zijn lange carrière meemaakt. Maar dat weerhoudt hem er niet van te zeggen wat hij zeggen moet. Ook al komt hij daardoor in de gevangenis terecht.
Kijk, dat zijn de echte profeten.
Die zeggen niet wat je graag horen wilt – dat zijn valse profeten; de jaknikkers en de pluimstrijkers en de meelopers.
De valse profeten spelen mooi weer.
Echte profeten zeggen wat gezegd moet worden. Wat pijn doet, wat kritisch is, waar ik wat mee moet.

Het zijn gedachten die volgens mij ook spelen bij de lezing van deze zondag, bij Jezus’ verzoeking in de woestijn. Jezus wordt door Satan op de proef gesteld, de duivel in eigen persoon. De duivel, ook als een soort nar? De tegenstem, de tegenspraak, waarvan het dus ook iets goed heeft, iets dat nodig is?

Het is misschien niet het eerste wat je denkt. We zijn geneigd om de Satan als de verpersoonlijking van de tegenstander te zien. Als iemand die hem de voet dwars wil zetten, de boel op zijn kop. Een negatieve kracht.
Maar je kunt de verzoeking in de woestijn misschien ook zien als een positief moment in de ontwikkeling van Jezus, de tegenstand die hem sterker maakt.

Het is opmerkelijk dat er staat dat de Geest Jezus de woestijn in drijft.
Dat wordt vaak zo uitgelegd, dat van te voren al duidelijk is dat de goede Geest van God bij Jezus is, en dus garant staat voor de goede afloop. Jezus is wel te midden van de wilde dieren, zoals er staat, dat is het gevaar; maar in één adem staat er dat de engelen hem dienden, met andere woorden, geen nood: er wordt voor hem gezorgd.
Maar je kunt het ook zo opvatten, dat de Geest Jezus de woestijn in drijft, omdat het goed is dat hij, Jezus, daar is, daar op de proef wordt gesteld, daar de strijd met zijn eigen demonen aangaat, dat het goed is om door de tegenstemmen sterker te worden, krachtiger, zelfbewuster. Juist aan het begin. Juist om goed te weten, wat zijn weg is en wat zijn opdracht.

Nu is er bij de verzoeking van Jezus nog wel wat meer aan de hand.
Als je het houdt bij wat Marcus daarover vertelt dan is het weinig. Wat de verzoekingen zijn geweest, dat lezen we bij andere evangelisten, maar hoe die dat zo precies weten, is niet duidelijk. Er is niemand bij geweest, toch?

Maak van stenen brood. De honger in één klap opgelost.
Spring van de tempel. God redt toch wel?
Kniel voor de duivel, en je zult heersen over de aarde.
De drie verzoekingen zoals ze traditioneel worden gezien.
De verzoeking van de macht, of het machtswoord. De verzoeking om te denken dat je door brute macht de wereld en het leven naar je hand kunt zetten. Kniel voor de duivel, onderwerp je aan de macht van het kwaad, aan het kwaad van de macht, zoals de wereld nu eenmaal draait, en je zult heersen, succes hebben, macht bezitten.

Maar de weg van Jezus is een andere.
Dat beseft hij des te sterker in de confrontatie met de tegenstemmen, met de Satan die in zijn oor fluistert, met de verleiding van de macht die hem voor ogen wordt geschilderd.
Het is goed dat hij met deze tegenstemmen wordt geconfronteerd. Niet om daar naar te luisteren, maar om des te beter te weten wat hij wél moet doen. Is het daarom ook dat dit verhaal helemaal aan het begin wordt verteld?

Jezus leert, als je dat zo mag zeggen, dankzij de beproevingen, des te scherper wat zijn weg is en wat zijn roeping wordt.
Zijn weg is die van de onmacht, van de liefde, die zichzelf uitlevert, die niet heerst door te onderwerpen, maar heerst door te dienen.
Dat is het kruis dat hij moet dragen.
Dat is de weg die toekomst belooft.

Eigenlijk gaat dat tegen onze intuïtie in, en daarom moet het je steeds weer voorgehouden worden. Zoals we ook de stem van profeten nodig hebben, om te horen wat we liever niet zouden willen horen.
Het verhaal van Jezus is tegengesteld aan onze neiging om belang te hechten aan wat krachtig en machtig lijkt, om omhoog te kijken; onze neiging om zelf te denken dat je je breed moet maken, sterk moet zijn, dat de ander een concurrent is, dat je uit moet blinken en zo voort. Maar echte macht durft zwak te zijn. Durft zichzelf te laten onderbreken, zichzelf te kritiseren. Organiseer je eigen tegenstem. Echte macht stuurt de nar niet weg, maar verwelkomt hem. Zelfs als hij verkeerde raad geeft, zoals de duivel hier, want dan weet je daardoor tenminste des te beter wat je wel moet doen.

Nu zit er nog een andere kant aan.
Want het verhaal dat we in deze weken overdenken, de weg van Jezus die we volgen, maakt als het ware nog een omwenteling.

Het is misschien goed dat Jezus daar in de woestijn op de proef wordt gesteld.
Je komt er sterker uit dan je er in ging, zoals ze zeggen.
Zoals iemand dat zeggen kan, als hij of zij zelf een beproeving in het leven heeft meegemaakt. Daar moet je altijd voorzichtig mee zijn, in  ieder geval kun je dat nooit voor een ander invullen. Soms zeggen mensen dat: ik had het liever niet meegemaakt – een scheiding, een ontslag, een ziekte – maar hoe gek het ook klinkt, het heeft me ook iets gebracht.

Maar we moeten het ook weer niet mooier maken dan het is.
Jezus wordt wel écht op de proef gesteld.
Het is niet voor niets in de woestijn – in de Bijbel het beeld van het land waar het leven schraal is, waar je aangewezen bent op God; de woestijn van de veertigjarige zoektocht van het volk.
Ook Jezus’ verblijf in de woestijn is geen gezellig uitje, het is serieuze business. Veertig dagen vasten.

Maar als hij de tegenstemmen heeft doorstaan, komt hij er sterker uit. Is Jezus klaar voor zijn roeping. Hierna begint het echt.
Maar als het dan begint, is meteen al vanaf dat begin duidelijk dat Jezus nu zelf de tegenstem is geworden. Dat is de andere omwenteling, die het hele evangelie door zal lopen.

Jezus is de tegenstem. Hij heeft iets van de profeet, die zegt, wat gezegd moet worden. Niet om er populair mee te worden, integendeel, maar dat weerhoudt hem niet. Nu hij de duivel weerstand heeft geboden, kan hij de hele wereld aan.

Jezus wordt de tegenstem, van de machthebbers, van de mensen van eigen gelijk, van degenen die het wel best vinden zo, die van zichzelf denken dat ze goed zitten, dat zij niet veranderen hoeven.
En die tegenstem roept weerstand op.
Daar is al meteen sprake als Johannes, Jezus’ voorloper, gevangen wordt genomen. Hij wordt uitgeleverd, staat er.
Straks zal dat Jezus’ eigen lot zijn. Uitgeleverd worden, in handen vallen van de machten.
Want zij hebben genoeg van zijn tegenstem, van zijn kritische en ondermijnende boodschap; van zijn vrijheid ten opzichte van de wet en de regels. Zij, de machthebbers, voelen zich bedreigd door Jezus de nar, die hun positie ondergraaft, die hun macht uitdaagt door daar tegenover de zwakke krachten van de liefde te zetten.

Een laatste opmerking.
Jezus’ 40 dagen in de woestijn is geen gezellig uitje. Het is een echte strijd. De lijdenstijd is begonnen.
Maar er zijn tekenen om erop te vertrouwen dat Jezus staande blijft.
De engelen die hem dienen – straks zal dat van mensen worden gezegd (de schoonmoeder van Petrus).

Er zijn tekenen, ook bij de profeet, die in de ellende en de crisis, toch hoop geven op toekomst. Jeremia ziet een amandeltwijg. Zoals de amandelbloesem het voorjaar aankondigt, zo zeker zal Ik mijn woorden laten uitkomen, spreekt de Heer. ‘Wees voor niemand bang, want ik zal je terzijde staan en je redden’ (Jeremia 1: 8).

Met die woorden aan Jeremia gericht, mogen wij ook zelf op weg gaan in deze veertig dagen. Wees niet bang om te zeggen wat gezegd moet worden, om te doen wat nodig is, om zelf de tegenstem te zijn tegen alles wat knecht en onderdrukt.

De mensen niet verlaten,
Gods woord zijn toegedaan,
dat is op deze aarde
de duivel wederstaan
(uit Lied 538 vers 4).

AMEN