Frans Willem Verbaas, Suster Bertken

Een vrome non die 57 jaar lang opgesloten in een dichtgemetselde kluis leeft. Klinkt niet als een spannend gegeven voor een roman. Toch weet rasverteller Frans Willem Verbaas op basis van de spaarzame gegevens die er over Suster Bertken, de middeleeuwse kluizenares in de Buurkerk te Utrecht, bekend zijn een wervelende roman te schrijven. Dat hij daarbij zijn fantasie volop gebruikt is duidelijk, maar het verhaal dat hij vertelt komt zeer overtuigend over.

Hij wekt deze non tot leven en maakt er een stoere vrouw van, die in haar laatste levensjaren in conflict komt met de pastoor van de kerk. Deze wil tot meerdere eer en glorie van zichzelf de kerk uitbreiden. Daarvoor moet de kluis van Suster Bertken verplaatst worden, maar daar gaat zij niet mee akkoord. De strijd tussen beiden is het plot dat de roman voortdrijft. Op een ingenieuze wijze weet Bertken uiteindelijk haar zin te krijgen en kan ze haar laatste jaren slijten in de kluis waarvan ze gezworen heeft dat het ook haar graf zal worden.

Het conflict wordt gesitueerd in 1511, drie jaar voor de dood van Suster Bertken. In verschillende hoofdstukken springen we terug in de tijd. Zo worden de jeugdjaren van Bertken en haar broer Alfer geschetst, beiden kinderen van een pastoor, Jacob van Lichtenberg. Dat Bertken kiest voor een leven in de verootmoedigde staat van kluizenares wordt volgens historici ingegeven door de wens om boete te doen voor de zonden van haar vaderlijk geslacht. Verbaas maakt er een motief van dat hij op zijn eigen wijze verwerkt. Vader komt op een weinig verheffende manier aan zijn einde, ontsproten aan de fantasie van Verbaas, reden genoeg voor Bertken om te vrezen dat hij niet rechtstreeks naar de hemel zal gaan maar eerst moet boeten in het vagevuur. Ook het boeten voor de zonden van Alfer met wie het evenmin gelukkig afloopt, is een opdracht die Bertken in deze roman zich stelt. Het past bij de angst voor het laatste oordeel zoals die in de late Middeleeuwen hoogtij vierde.

Verbaas is naast schrijver, theoloog en predikant. Door die achtergrond kan hij zijn personages theologische diepgang geven. Zo krijgen de zielenroerselen van Bertken gaandeweg het verhaal steeds meer contour. Ze is in gesprek met diverse biechtvaders over het gebed, de betekenis van vergeving, de ware deemoed om maar wat te noemen. Maar ook niet-geestelijken zoeken bij haar raad, met alledaagse zorgen en vragen, wat overigens in het echt ook het geval schijnt te zijn geweest. De manier waarop dit beschreven wordt verraadt de pastorale achtergrond van de schrijver.

Verbaas verwerkt daarnaast het gedachtegoed van de moderne devotie uit het begin van de 15e eeuw op een handige manier in zijn verhaal. Bertken is in haar jeugd door deze schrijvers beïnvloed, maar wordt later door haar gesprekspartner prior Van Malsen gecorrigeerd:
“’Weet u, kluizenares… naarmate ik ouder word, denk ik steeds vaker dat de beweging van de moderne devotie mensen als u en ik, want wij staan zij aan zij in deze traditie, heeft opgezadeld met een verstikkende hoogmoedigheid. Mannen als Geert Grote, Gerard van Zutphen en Thomas van Kempen leren dat wij ons moeten afkeren van de wereld. Dat wij alleen op God gericht moeten zijn. Dat het vleselijke leven vreselijk is. Dat ons tijdelijk leven in het niet valt naast het eeuwige. Dat ons aardse leven een voortdurend sterven dient te zijn. Dat wij zuiver moeten geloven, zuiver denken, zuiver leven, zuiver sterven… Maar naar de hel met al die zuiverheid! Weg met die stuitende hoogmoed! Mensen zijn niet geschapen voor zuiverheid, mensen zijn geschapen om te proberen hier in de aardse modder lichaam en geest bijeen te houden, en tijd en eeuwigheid. Waar is in een zogenaamd zuivere schepping nog ruimte voor de klaterende beek van Gods barmhartigheid en voor de stromende rivier van Gods vergeving?’” (p. 205).

Zoals altijd in een historische roman schemeren de eigen opvattingen van de auteur door de tekst heen, maar toch komt dit allemaal heel geloofwaardig over.
Hetzelfde geldt voor de ontmoeting tussen Bertken en Erasmus. Uiteraard opnieuw aan de verbeeldingskracht van Verbaas ontsproten, maar waarom ook niet? De oude non en de jonge priester kunnen het opmerkelijk goed met elkaar vinden. Het levert zelfs een intrigerende droomscène op. Het biedt Verbaas daarnaast gelegenheid om de vrome liederen en meditaties die van Bertken overgeleverd zijn in zijn verhaal te verwerken.

Door dit soort elementen krijgt het portret van de vrome Suster een karakteristiek profiel en weet de auteur de sympathie voor haar persoon bij de lezer op te roepen. Daarnaast is het ook nog eens gewoon een spannend en onderhoudend verhaal.

Een zeer geslaagd boek dus, in het bijzondere genre van de theologische roman, dat Verbaas als geen ander beheerst.

Frans Willem Verbaas, Suster BertkenUitgeverij Mozaïek Utrecht 2023, 317 pag., €22,99