Witte-orgel

Aan het eind van de zeventiende eeuw werd een klein twee-klaviers orgel gebouwd voor de Marktpleinkerk in Winschoten. Verdere informatie over dit orgel ontbreekt en ook de naam van de bouwer is onbekend. In 1866 werd het instrument verkocht en werd er geld ingezameld onder de gemeenteleden voor de aanschaf van een groter orgel, welke op een nieuw te bouwen orgelgalerij moest komen. De Utrechtse orgelbouwer Christian Gottlieb Friedrich Witte (1802-1876) kreeg de opdracht. De keuze voor deze orgelbouwer is verrassend aangezien er geen andere orgels van Witte stonden in Noord-Nederland. De reden voor deze keuze is dat de toenmalige organist (Klaas Middel) Witte aanbeveelt. Hij baseerde zich op informatie van zijn zoon (Pieter Middel) die organist was in Gouda en het werk van Witte goed kende. Op 29 september 1866 werd het contract getekend voor de levering van een orgel met hoofdwerk, nevenwerk en zelfstandig pedaal, voor een prijs van 9.370 gulden. In april 1868 werd het orgel in delen per schip van Utrecht naar Winschoten vervoerd. De feestelijke ingebruikname van het Witte-orgel vond plaats op 2 augustus 1868.

Het Witte-orgel bevat 23 registers, verdeeld over een hoofdwerk, een nevenwerk en een zelfstandig pedaal. Het neogotische front bestaat uit drie trapeziumvormige torens. De middelste toren is hoger dan de zijtorens. Tussen de torens bevinden zich vlakke, ongedeelde pijpvelden. De tinnen frontpijpen behoren tot het register Prestant 8’ van het hoofdwerk en hebben vergulde spitslabia. Er zijn negentien sprekende frontpijpen. De orgelkast is in imitatie-eiken geschilderd. De windvoorziening van het orgel wordt verzorgd door een grote magazijnbalg, voorzien van schepbalgen en een regulateurbalg. Het orgel heeft een fraaie volle klank vanwege het grote aantal achtvoetregisters. Het orgel is van degelijke makelij, en wie het hoort komt onder de indruk van de vele klankkleuren die het orgel bezit. Het orgel is erg geschikt voor het begeleiden van de gemeentezang. Daarnaast leent het orgel zich zeer goed voor het uitvoeren van het vroeg-negentiende-eeuws orgelrepertoire uit Frankrijk (Boëly, Lefébure-Wély, Widor) en Duitsland (Schumann, Brahms, Merkel).

Dispositie Witte-orgel (1868):

Hoofdwerk (C-f”’)
Nevenwerk (C-f”’) Pedaal (C-d’)
Bourdon 16’ Prestant 8’ Subbas 16’
Prestant 8’ Holfluit 8’ Octaaf 8’
Roerfluit 8’ Viola 8’ Bourdon 8’
Violon 8’ Fluit 4’ Octaaf 4’
Octaaf 4’ Salicet 4’ Basson 16’
Fluit 4’ Dulciaan 8’ Trombone 8’
Quint 3’ Tremulant
Octaaf 2’ Koppel HW/NV
Cornet IV D Koppel PED/HW
Mixtuur III B Stemming: gelijkzwevend
Trompet 8’ Toonhoogte: a’=437 Hz

 


 

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.